|
|
Succulenta (Netherlands) 79(5): 216-221, 2000.
PARAGUAYAANSE DWERGEN IN DE TWINTIGSTE EEUW Lubomir Berka In een begrijpelijke stilte is de honderdste verjaardag van de vondst en de beschrijving van Frailea schilinzkyana (Haage jr.) Br. en R. voorbijgegaan. Deze dwergcactussen - voor de meeste kwekers totaal onaantrekkelijk - stonden in de periode na hun ontdekking volop in de belangstelling. Het waren vertegenwoordigers van planten uit Paraguay die erg in opkomst waren. Grosse verzamelde de planten op weidegronden en stuurde ze in juni 1897 naar de firma Haage in Erfurt. De eerste, Frailea schilinzkyana, werd in het Monatschrift für Kakteenkunde VII 1897 108 geldig beschreven onder de geslachtsnaam Echinocactus. De plant werd naar de Geheimrat (hofarts) Von Schilinzky vernoemd.
De ombenoeming van de beide planten in 1922 naar het geslacht Frailea dat door Britton en Rose is opgesteld, is een belangrijke stap voorwaarts. De verzamelde planten vertoonden een aanzienlijke variabiliteit en in de loop der jaren kwam het tot verwisseling van de soorten. Nieuwe verzamelde vormen kregen nieuwe commerciële namen. Het is wel zeker dat de natuurlijke variatie een juiste indeling niet gemakkelijk maakte. Als voorbeeld kan de beschrijving van A.V. Fric worden genoemd, die in 1927 in het gebied van Posadas – Encarnaçion – Cambyreta rondtrok. In het tijdschrift Praktick rádce beschrijft hij hoe hij een aantal frailea‘s verzameld heeft, die grote groepen vormen. Hij kon er geen naam voor geven. De verzamelde planten stuurde hij naar verschillende Europese handelaren. Na de tweede wereldoorlog was Paraguay vanwege de politieke situatie moeilijk toegankelijk en de import van deze planten was sterk beperkt. Het resultaat van deze moeilijke periode is een reeks van onduidelijkheden en verwisselingen, zodat de planten een grote reeks verschillende namen hebben gekregen. Ik voer er maar enkele op: voor F. schilinzkyana b.v. F. pseudograhliana, F. pseudopulcherrima, F. pulcherrima (maar deze heeft niets uitstaande met Arechevaleta’s F. pulcherrima) F. intermedia, spec. Simon, spec. Uhlig 170 en voor F. grahliana o.a. F. candida, F. americana, F. pullispina (een handelstruc om een goedkope soort te leveren als zeldzame dure plant).
Een belangrijk keerpunt vond plaats in de zestiger jaren toen A.M. Friedrich, die in Asunción, Paraguay woonde, zich in samenwerking met G. Moser uit Kufstein in Oostenrijk, in Paraguayaanse soorten ging interesseren. Hij verzamelde een groot aantal nieuwe vormen die hij naar Moser opstuurde, die ze vervolgens in samenwerking met de heren Buining en Brederoo taxonomisch indeelde. Uit die periode stammen beschrijvingen van F. moseriana Moser et Brederoo, F. ybatense Buining et Moser, F. friedrichii Buining et Moser, F. concepcionensis Buining et Moser en F. ignacionensis Buining et Brederoo. Dankzij de nieuw beschreven planten verbreedde zich de kennis van de variabiliteit van F. schilinzkyana en F. grahliana. In het licht van de huidige taxonomische kennis verandert het beeld stapsgewijs van een ingewikkeld mozaïek in een herkenbare groep. In de laatste 20 jaar vulden G. Esser en D. Metzing de informatie over de ecologie van de diverse Paraguayaanse groeiplaatsen aan en D. Metzing ging over tot het samenvoegen (lumping) van verschillende Paraguayaanse fraileasoorten. Ook K.H. Prestlé hield zich met de systematiek van de Paraguayaanse soorten bezig, hoewel hij zelf nooit een bezoek aan Paraguay bracht. Tijdens het bewerken van het gehele geslacht Frailea stelde hij voor de planten bij F. pumila onder te brengen, toen hij ze onderbracht in het ondergeslacht Pumilaoides. Hij constateerde dat de bovengenoemde soorten in een areaal van enige honderden kilometers thuishoren, dat zich uitstrekt van Uruguay, de Rio Grande do Sul in Brazilië, de Argentijnse provincies Corrientes en Missiones, Centraal- en Oost Paraguay tot in de Oost-Boliviaanse provincie Chiquitos. Afsplitsing van diverse secties en ondersecties hangt af van de inzichten van de diverse auteurs.
Hoe ziet de huidige stand van zaken eruit? Voor verder commentaar geleverd wordt, is het raadzaam om eerst naar de groeiomstandigheden in Paraguay te kijken. Zuidoost Paraguay – hier bevindt zich het centrum van onze twee soorten - zou zonder de invloed van de mens met wouden en vochtige savannen bedekt zijn. Tegenwoordig zijn uitgestrekte gebieden ontgonnen, gecultiveerd en is de natuurlijke vegetatie verdwenen. Cactussen zijn alleen nog maar te vinden op plaatsen waar de rotsplaten in weidegronden aan de oppervlakte komen. De frailea‘s komen in sterk van elkaar geïsoleerde plaatsen voor, waar ze zich door hun cleistogame vruchtzetting voortplanten en vele nieuwe populaties vormen. (Red; cleistogamie, bevruchting in gesloten bloemen zonder bestuiving van buitenaf. In de natuur bloeien frailea’s uitbundig en verspreiden zich waarschijnlijk via normale bestuiving. Wel zijn de meeste zelffertiel). Voor de vorming van een nieuwe populatie is ontwikkeling van maar één zaadje in principe genoeg. Een bepaald kenmerk dat zich in een populatie ontwikkelt, kan zich alleen maar daar voortplanten, zodat elke populatie verschillen ten opzichte van andere populaties gaat ontwikkelen. Het hangt van het taxonomisch inzicht af wat we als soort beschrijven. Op het gebied waar F. concepcionensis groeit, sluit een groot en nog weinig onderzochte Chaco aan, waar in de laatste jaren planten gevonden zijn die verwantschap vertonen met F. grahliana. In 1972-1973 werd F. klinglerana n.n door priester E. Klingler in Oost Bolivia. verzameld. De groeiplaats bevindt zich aan de voet van een heuvel 67 km zuidelijk van San José de Chiquitos. In 1973 arriveerden de planten in Europa doordat Klingler ze aan J. Falkenberg in Berlijn stuurde waar ze veldnummer EK 4 kregen (vaak als BK 4 incorrect overgenomen). Op het eerste gezicht behoort ze tot de verwantschap van F. grahliana, waarvan ze zich onderscheidt door de grotere en grovere tuberkels, langere doorns en duidelijk halvemaansvormige tekening onder de areolen. Enige jaren geleden werden vergelijkbare planten ontdekt die nummer STO 986 kregen ( Vindplaats Ravelo, dept. Santa Cruz, Bolivia).
In 1988 werd geheel onverwachts F. piltzii n.n. (P 432, M 21, LB 70) ontdekt, ca. 30 km zuidelijk van het massief van Cerro Leon. Op de groeiplaats groeit ze onder de beschutting van gebladerte van een droogtebos. Ze vormt enkelvoudige planten met een lichtblauwe tot donkergroene epidermis en donkere doorns. In de cultuur heeft ze een duidelijke verandering ondergaan; het lichaam en de doorns zijn veel lichter. Vergelijkbare planten zijn op een andere groeiplaats door H. Jucker gevonden (HJ 486). Met deze regels kunnen we het overzicht over al de planten die rond de twee honderdjarige soorten zijn gegroepeerd beëindigen. Het is echter niet mogelijk om te concluderen dat dit alle planten zijn uit het besproken gebied. Frailea’s zijn kleine planten, die zich met hun mimicry succesvol verbergen. Het gebied van Paraguay en de omringende gebieden zijn uitgestrekt en we kunnen nog meer vondsten verwachten omdat deze regio nog steeds avontuurlijke plantenjagers op zoek naar onwaarschijnlijke vondsten aantrekt. |
All material, except where otherwise credited, is Copyright
© 2005-2007 Paul C. Laney
---------- end of page ----------